Mijn naam is Jeanne

posted in Info

Mijn naam is Jeanne

Als kind had ik al een zwak voor de lucht van olieverf.

Op woensdagmiddag mocht ik bij een artistieke, oudere dame komen schilderen. Ze was van adel. In de loop der tijd was haar familie verarmd, maar deze barones hield er nog altijd excentrieke gewoonten op na. Ik was onder de indruk van haar schilderwerk op groene flessen en sigarettendozen – zo schilderde ze haar inkomen bij elkaar – en ook van haar manier van leven. Naar de woensdag keek ik echt uit.

Al snel kreeg ik van mijn ouders een schildersezel en olieverf. Thuis ploeterde ik aan mijn eerste werkjes. Vanaf mijn zevende tot mijn twaalfde was ik altijd aan het schilderen, thuis en bij deze barones Jeanne van Rijckevorsel-Paulus.

Op de middelbare school kreeg ik het eerst aan de stok met mijn tekenleraar. Ik begreep niets van zijn bedoelingen: telkens als ik aan hem vroeg wat ik doen moest, stuurde hij me weg. Vanaf het derde jaar sloeg de vonk over en Rien van den Brink, zoals mijn leraar heette, heeft mijn liefde voor tekenen en schilderen verdiept door me de technieken aan te reiken en me verder nadrukkelijk alle artistieke vrijheid te laten. Hij had een galerie in Eersel en schilderde zelf alleen abstract werk in zwart, wit en rood. Als scholier was ik daar niet zo van onder de indruk. Toen wist ik niet dat zijn werk jaren later als een collectie ondergebracht zou worden bij Soeterbeeck, het studiecentrum van de Radboud Universiteit te Nijmegen.

Na een onderbreking van tien jaar, waarin ik verschillende opleidingen heb bezocht en mijn diploma technisch tekenaar behaald heb, ben ik weer begonnen. Aangezet door een cadeau van mijn man: een schilderskist met inhoud.

Via een cursus aquarelleren bij Hetty Mooi 1 kwam ik op de Pedagogische Academie terecht, waar ik in de avonduren mijn tekenakte gehaald heb met Jef van Beers als docent. Ik wilde absoluut geen les gaan geven, maar zag in deze lessen aan de Pedagiogische Academie een heerlijk aanbod van allerlei technieken en aanvullende informatie.

Sindsdien schilder ik zo vaak als ik kan. Er zijn maar weinig schilderijen waar ik geen afstand van wil doen. Het gaat mij allereerst om het plezier in het schilderen.

 

Schilderen

Kleur is het belangrijkste in mijn werk.

Oorspronkelijk schilderde ik alleen vanuit kleur, later ook vanuit de voorstelling. Ik probeer goed op de harmonie en balans in het werk te letten. Mijn kleurkeuzes zijn intuïtief; dat is anders dan in een opwelling, er zit wel een hele duidelijke lijn in. Van NAAM? heb ik geleerd om een mooie bos bloemen op je werkplek neer te zetten. Als je aan schilderen bent en je weet het even niet meer, dan kijk je naar die bloemen en meteen springt de kleur die je zoekt je tegemoet. Met kleur kan ik bewust de vrolijke en positieve uitstraling bewerkstelligen zoals die in mij zit.

De schilderijen moeten voor zichzelf spreken, ik ga daar geen verhalen bij houden. Ze zijn vaak een weergave van mijn belevingswereld. Het resultaat moet positieve gevoelens uitdragen. Daarnaast moet het krachtig zijn: de lijnvoering, de beelden.

Het mooiste is als mensen over mijn schilderijen zeggen: ik word er vrolijk van.

Mijn werk kent een aantal terugkerende onderwerpen.

 

Figuren

Figuren geef ik al dan niet gestileerd weer. Soms zijn het afgeleiden van icoonheiligen, maar dan niet zozeer als heilige, maar als vorm. Niet toevallig schilder ik ook vaak drie figuren te zamen. In eerste instantie verbeeldde ik daarmee de drie gratiën. Later stelden de drie figuren ook vaak de drie Nornen voor, de drie zussen uit de Noorse mythologie die het lot van ieder mens bepalen. Als vrouwelijke beschermgeesten hebben zij de speciale functie om het lot van elk mens bij de geboorte vast te leggen. Dit doen zij door te vlechten, te weven of te zingen. Voor mij symboliseren deze Nornen het begin van het leven, het leven zelf en het einde van het leven. De drie Nornen hebben een draad en de lengte daarvan bepaalt de levensduur. Daarom heb ik vroeger ook wel een draad afgebeeld bij deze drie figuren. En een schaar…

Ook schilder ik vaak religieuze thema’s, zoals de Annunciatie waarbij aartsengel Gabriël aan Maria openbaart dat zij de moeder van Jezus wordt. Of de Visitatie, ook een traditioneel thema waarbij Maria, in verwachting van Jezus, haar nicht Elizabeth bezoekt die op dat moment in verwachting is van Johannes de Doper.

Uit dat thema is ook een serie kerstschilderijen ontstaan. Eén van mijn schilderijen heb ik gebruikt om er een kerstkaart van te maken en dat was het begin van een reeks van tien kaarten: tien jaar achtereen heb ik een schilderij gemaakt dat vervolgens op een kerstkaart kwam. Toen ik ermee stopte, vroegen mensen me waar de volgende kaart toch bleef. Ik heb er een punt achter gezet, ik ben nu met andere dingen bezig, maar de thematiek blijft me kostbaar.

Daarbij raakte mij het moederschap als thema en in het bijzonder de ‘aankondiging’ van het moederschap. Vanuit verschillende optieken heb ik geprobeerd te verbeelden wat moederschap op jonge leeftijd kan betekenen. Daarbij heb ik natuurlijk rekening gehouden met de religieuze opvatting dat het te baren kind van een enorme importantie zou. Ik grijp Kerst aan om het moederschap , de onvoorwaardelijke liefde voor je kinderen, uitdrukking te geven.

Later ben ik door het thema van de Annunciatie ook vaker engelen gaan schilderen. Dan verbeeld ik meestal de engel Gabriël. Hij is de brenger van de goede boodschap. Ik zou namelijk willen, dat er vaker blijde berichten bij mensen gebracht worden. Gabriël kwam een heel opmerkelijke boodschap brengen aan een nog erg jong en onervaren persoon; bovendien drukt hij bescherming en hulpvaardigheid uit ten aanzien van Maria.

Engelen staan tussen de mensen en het hogere in. Ze zijn mannelijk noch vrouwelijk maar ertussenin. Dat maakt het leuk, ze zijn er completer door. Als ik een engel probeer uit te drukken, probeer ik die mannelijk én vrouwelijk te laten zijn.

En ik ben ook niet vies van een beschermengel.

 

Bloemen

Als oprecht tuinierster kan ik me helemaal verliezen in de pracht van de natuur: de kleuren, de schoonheid, de weelderigheid, de vorm. En de verdraagzaamheid.

Ik vind het heerlijk om vooral op – zowel letterlijk als figuurlijk – dynamische wijze bloemen en landschappen te schilderen. Daarbij gebruik ik ook nadrukkelijk een dynamische techniek: niet fijntjes vanuit de pols, dan zou het afstandelijk precisiewerk worden, maar met de hele arm bewegend, helemaal vanuit mijn lijf. Mijn hele wezen gaat daarin zitten.

Vanzelfsprekend kom ik dan ook bij dieren terecht. Naast vogels, een schaap of ezel schilder ik regelmatig paarden.

 

Paarden

Als klein kind was ik al zo onder de indruk van paarden en nog steeds kan ik er geen genoeg van krijgen. Niet alleen hun vorm en beweging boeien mij nog steeds, maar bovenal dat er zo’n groot gewicht gedragen wordt door de hele smalle overgangen boven de vier hoeven. De kracht die via die minimale overbrenging tot stand komt en in stand blijft. En natuurlijk is er het lijnenspel, zoals van de gebogen hals van het paard.

Veel heb ik naar het werk van Marino Marini gekeken, om te zien hoe hij paarden verbeeldt. Toen ik nog op de middelbare school zat, verzamelde ik daar al plaatjes van.

 

Portretten

Door het icoon-schilderen is mijn interesse voor het portret weer teruggekomen.

Vond ik het vroeger leuk een portret naar de werkelijkheid te maken, de laatste jaren vind ik het steeds leuker om portretten te verzinnen.

Gelijkenis van personen die ik als inspiratie gebruik, is ondergeschikt geworden aan het resultaat. Bij een portret gaat het er bijvoorbeeld niet om zo natuurgetrouw mogelijk te werken, het gaat mij niet om een pure gelijkenis – dan zou je immers net zo goed een foto kunnen maken. Het gaat er mij om het karakter uit te beelden met alle emoties die daarbij komen.

Een schilderij moet krachtig zijn, al heeft het ook een meditatief karakter. Dat laatste wil ik graag ook weer tot uiting laten komen in mijn schilderijen. Vooral bij mijn portretten ben ik op zoek naar manieren om bezinning, meditatie, contemplatie tot uitdrukking te brengen.

 

Beelden

Sinds een jaar of 17 volg ik beeldhouwles bij Gerry van der Velden in Zoelen. Gerry heeft de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam gevolgd en zich daar gespecialiseerd in beeldhouwen en tekenen 2. Nu wordt zij tot de neiuwe klassieken gerekend. Zij maakt beelden zoals ik dat graag zou kunnen. Van haar heb ik de techniek geleerd, maar ook het kijken: ik heb bij Gerry een paar jaar modeltekenen gedaan omdat zij mij daarmee kon uitleggen wat ik in de beelden moest zien, wat zich onder het oppervlak afspeelt en ongemerkt de buitenkant bepaalt.

Ik houd me met beelden maken niet zo intensief bezig als met schilderen, maar ik werk er al jaren elke week aan; mijn ontwikkeling daarin is dus langzaam maar gestaag.

Beelden maken is een andere tak van sport dan schilderen. Een beeld is driedimensionaal, dus het moet van alle kanten interessant zijn. Een beeld is niet een slap omhulsel, het moet gedragen zijn door een inhoud, door een skelet en spieren. Dat moet zichtbaar zijn aan de buitenkant. Een beeld moet ook van binnenuit sterk moet zijn, ook al maakt het een fragiele indruk. Bewegingen moeten tegenbewegingen of herhalingen hebben. Het ene vlak gaat in het andere over.

Ook met het beeldhouwen ben ik bezig met paarden, portretten en figuren. Daarbij is de basis een goede anatomie, die vervolgens ondergeschikt wordt aan de uiteindelijke vorm. Ik heb onder andere beelden gemaakt van paarden en van andere dieren, van meer en minder bekende mensen. En ook van figuren van regionale herkomst, zoals van Tienakker van het toenmalige klooster in Wijchen waar vroeger de kleuterschool was gevestigd: het is een beeld van een onderwijzende non die met overdreven grote handen een boek op haar schoot houdt. En zo is er ook een beeld van St. Walrick, de woeste rovershoofdman die zich na de wonderbaarlijke genezing van zijn dochter bekeerde en uit dankbaarheid de naar hem vernoemde kapel nabij Nederasselt heeft laten bouwen.

Ik heb ook beelden gemaakt van groepjes van drie mooie smalle figuren. Eerst had ik die in mijn schilderijen. Gedurende een periode was ik er nieuwsgierig naar of ik wat op mijn schilderijen stond ook in driedimensionaal beeld kon omzetten. En die smalle figuren waren weer geïnspireerd op iconen. In bepaalde scholen van iconenschilders gebruiken ze opvallend lange afbeeldingen en dat heb ik lekker gebruikt in mijn vrije schilderwerk. Zo’n periode sluit ik na een tijd weer af.

Mijn meeste beelden zijn van brons. Die maak ik vanuit een tempexbasis omhuld met gips. De beelden worden gegoten in Druten door mensen waar ik al jaren mee werk en die ik het helemaal durf toevertrouwen.

 

Iconen

Ik ben in de ban van iconen.

Tijdens mijn studie voor de tekenakte kregen we heel goed kunstgeschiedenis aangeboden. Ik bezocht daarom ook bijna wekelijks musea. Iconen kwamen uiteraard ook aan bod, maar daar had ik technisch niets mee. Voor mij waren het platte schilderingen op hout met een verkeerd perspectief. Er was wel iets bijzonders mee, maar dat zou ik nog wel eens gaan bestuderen, later, ooit…

In 1996 wees een goede vriend me op een cursus icoonschilderen in Hernen. Dat was lekker dichtbij voor mij. ‘Blanco’ ging ik er naar toe. Het zou een week lang schilderen zijn, maar bidden zou ook een belangrijk onderdeel van de week zijn, zo werd gezegd. Als katholiek vond ik dat geen bezwaar.

De cursus werd gegeven door Bernard Frinking 3. Bernard Frinking is een in Frankrijk woonachtige, door de Orthodoxe bisschop gewijd iconograaf van Nederlandse afkomst. Hij heeft op zijn beurt les gehad van Leonid Ouspenski, één van de twee West-Europese icoonschilders die officieel erkend zijn door de Orthodoxe kerk. Bernard leerde mij de essentie van het icoonschilderen. Een hele nieuwe wereld ging voor mij open.

Iconen zijn onderdeel van de liturgie, evenals de gebeden, de gezangen, de wierook en de architectuur van de kerk. Het schilderen van iconen wordt daardoor in feite een liturgische handeling. Volgens de Orthodoxe kerkvaders is het God die je hand leidt, als schilder wordt je daardoor een ondergeschikt instrument.

Een week in Hernen is uiterst meditatief. Je komt in aanraking met essentiële levens­vragen, je hoeft er niet katholiek voor te zijn om daardoor geraakt te worden. De week werd daardoor veel meer dan een kunsthistorische verdieping, het werd een retraite.

Na mijn eerste cursus ben ik me eerst verder gaan verdiepen in de theologie en in iconen, voordat ik na een paar jaar mijn eerste icoon kon schilderen.

Nadat Bernard Frinking afscheid genomen heeft, heb ik twee keer een week les gehad van een Russische priester uit Pskov, Andrej Davidoff. Momenteel heb ik eens per jaar een week les bij de Roemeense icoonschilder Cristinel Ioan Paslaru, ook weer in Hernen.

De techniek is niet moeilijk. Ik schilder met temperaverf. Dit is een mengsel van eigeel, gekookt water, wat azijn en pigmenten. Ik maak dus zelf mijn verf. De temperatechniek geeft een hele mooie gelaagdheid, een heel eigen diepte.

Ook mijn planken bereid ik zelf met lijm en dubbelgewassen krijt tot gladde, beschilder­bare oppervlakken. Daarbij maak ik vaak gebruik van bladgoud. Het een en ander heb ik geleerd volgens tradities uit de Middeleeuwen.

 

Als je iconen schildert, ben je gebonden aan de canon van de orthodoxe kerkvaders. Dit werkt beperkend op een waardevolle manier: een aantal afbeeldingen staat vast en er staat geen onzin op, dus wat je uitbeeldt moet ertoe doen. Er is wel artistieke vrijheid, een hoofd dat wat meer gedraaid staat, een handgebaar dat anders is, de manier waarop de kleding valt.

Een icoon heeft nadrukkelijk maar twee dimensies. Een schilderij heeft natuurlijk ook maar twee dimensies, maar de meeste schilders proberen ook diepte in een schilderij te creëren. Bij een icoon is het perspectief omgekeerd: wij zijn gewend dat het verdwijnpunt achterin het schilderij ligt, de lijnen lopen als de rails van een spoorlijn naar elkaar toe. Bij een icoon lopen de lijnen juist uit elkaar. Waar ze bij elkaar komen, staat de toeschouwer en die wordt het verdwijnpunt. Daardoor word je als toeschouwer onderdeel van de icoon. Het lijkt voor de oppervlakkige toeschouwer alsof het perspectief niet wordt beheerst, maar dat gebeurt dus expres om de toeschouwer onderdeel te maken van hetgeen zich op de afbeelding afspeelt.

De icoon is niet een afbeelding van een heilige, maar de heilige zelf. Een Mariabeeld in een kerk vertegenwoordigt Maria in de hemel. Maar als ik een icoon van Maria heb, dan heb ik Maria zelf. Daarom hebben de orthodoxen veel respect voor iconen: er wordt voor gebogen, ze worden gekust, geaaid, ze worden met respect behandeld, als goede vrienden.

Daardoor ga je een icoon ook met veel meer respect schilderen: je wilt dat de icoon de meest toegevoegde waarde heeft voor wie ernaar kijkt. Je betrapt jezelf erop dat je er een veel diepere band mee hebt dan met een gewoon schilderij. Tijdens het schilderen, kom ik ook in gesprek met de heilige. Iets wat me in mijn vrije schilderwerk, in relatie tot het onderwerp, niet overkomt. De iconen verkoop ik niet. Dat doe je ook niet met goede vrienden.

 

Ik kijk inmiddels heel anders naar iconen. De spiritualiteit en het contemplatieve spreken me heel erg aan. Door de iconen heb ik ook meer interesse in religieuze en mythologische onderwerpen gekregen. Voor mij wordt het schilderen daardoor een steeds boeiender proces.

Wat ik wil bereiken in iconen is, dat het meditatiemomenten zijn voor de toeschouwers.

 

Uitleiding

In dit boekje tref je ook hier en daar ook een bladspiegel van goud. Bladgoud komt voor in de iconen. Bovendien ligt mijn interesse in het uitdragen van de Byzantijnse cultuur; de Byzantijnse hof werd vroeger de gouden lijn is dit de juiste term? genoemd. Zie het als een symbool: in iconen wordt goud gebruikt als onstoffelijk licht, als licht dat geen dimensie heeft.

Mijn werk is divers, maar er is natuurlijk wel een rode draad aanwijsbaar. Net zoals er in het leven, in mensen een doorgaande lijn zit.

De kennis, die ik heb opgedaan over het icoon-schilderen pas ik ook weer toe in mijn vrije werk. Hetzelfde geldt voor wat ik leer bij beeldhouwles. In mijn beelden maak ik vaak gebruik van de lijnvoering uit mijn tweedimensionale schilderwerk. Zo zijn de drie disciplines, beeldhouwen, vrij werk en icoon-schilderen met elkaar verbonden en oefenen zij over en weer invloed op elkaar uit. Van 2-D naar 3-D en omgekeerd.

Mijn vrije werk schilder ik met paletmes en penseel. Ik gebruik olieverf en werk op linnen schildersdoek. Het varieert van heel glad schilderen tot zeer pasteus. Waarbij het meeste werk dik opgezet is. Regelmatig schilder ik meerdere lagen over elkaar. Zo schilder ik ook weleens over bestaand werk heen. Net zoals bij mijn beelden blijft wat onder het oppervlak zit op een bepaalde manier meedoen in het eindresultaat.

Over sommige werken doe ik een paar uur, over andere een jaar. Sommige werken komen nooit af. Dat geldt ook trouwens voor bepaalde beelden.

Nog steeds vind ik de lucht van olieverf heerlijk. En het schilderen verveelt me nooit.

 

1 Toen er nog gehandwerkt werd, had Hetty Mooi nationale bekendheid als schrijfster van ruim tien handwerkboeken die herdruk na herdruk beleefden.

2 Werk van Gerry van der Velden is in bezit van onder andere de gemeenten Tiel, Wageningen, Harderwijk, Helvoirt, Buren, Beek-Ubbergen en Nijmegen, alsmede van particulieren. Haar werk wordt tentoongesteld in Galerie de Tweeling in Weurt, Galerie Visee in Diepenheim, het Rosa Spierhuis in Laren, Galerie De Vlaming in Den Haag en in Galerie de Vlierhove in Blaricum.

3 De cursus vindt jaarlijks plaats onder auspiciën van de A.A. Brediusstichting. Dankzij de niet aflatende inzet van Victoria van Aalst fungeert deze stichting onder andere als een neutraal platform waarop Oost- en West-Europa elkaar ontmoeten. Dit gebeurt vanuit de centrale doelstelling van de stichting om de belangstelling en het begrip voor het cultuurhistorische Byzantijnse erfgoed te stimuleren bij een publiek dat bestaat uit meer dan alleen wetenschappers en specialisten.